Lithografie

Een druktechniek afkomst uit het einde van de 18e eeuw


De lithografie werd aan het einde van de achtiende eeuw uitgevonden door Alois Senefelder. Tussen 1794 en 1798 bedacht hij een druktechniek waarbij een steen (litho) wordt voorzien van een tekening (grafie). De steen kan vervolgens een afdruk op papier maken.

De techniek is de voorloper van het offset productieproces. Ook hiervoor worden platen (litho's) gebruikt die inkt overzetten op papier. In tegenstelling tot de traditionele lithografie worden tegenwoorden meerkleurendrukken geproduceerd. 

Offsetproductie producten
Posters
Brochures gelijmd

Hoe zit dit proces precies in elkaar?

Voor lithografie heb je dus een steen nodig als drager van de tekening. De eerste variant was een kalksteen. Simpelweg omdat die goed te bewerken is en veelvuldig beschikbaar is in de regio waar Senefelder zijn uitvinding deed. 
Op deze steen wordt een tekening gezet met een vette krijt. Het vet is hierin belangrijk! Op alle delen waar geen tekening op de steen zit, wordt een speciale oplossing gewreven. Vervolgens wordt de steen schoogeveegd. De steen wordt nat gemaakt en de delen waar eerst het krijt zat, blijven nu droog. Vervolgens wordt inkt toegevoegd en in een speciale pers wordt de tekening op papier gezet. De inkt zit dus op alle droge plekken.